Hetgeen Hendrik omhult eist dat hij trouw is aan de tijd
Hetgeen Hendrik omhult eist dat hij trouw is aan de tijd. Zijn tijd. Deze tijd, waarin een minister op vele schermen zegt dat ze zich aan de wet houdt, terwijl iedereen kan zien: ze handelt uit woede & walging.
Weer andere mensen beoefenen nieuwe sporten. In andere takken van sport voldoen de aangewezen helden maar nauwelijks aan de hoge verwachtingen. Op het eerste gezicht weinig aan de hand: het gebeurde wel vaker dat het verhaal op de straat de regerende versie werd.
Met het bewaren van deze afstand heeft Hendrik steeds meer moeite. Het lijkt hem dat het banale hem dag na dag vaker inhaalt. Ooit kon hij zonder zich te hoeven engageren (Hendrik is een van de mensen die het woord 'engageren' nog gebruiken) - zonder zich te engageren boodschappen doen. Door zijn wijk lopen: hij kende de stoeptegels, verloor aan de gammele pooltafel in het café met de sleetse paarse gordijnen. Zong halfluid het refrein mee van een oude hit.
Nu houden al deze dingen een keuze in. Het accent waarmee je je woorden neerlegt trekt een lijn. Een stelsel van lijnen (grenzen), stapel nieuwe, groeiende gebeurtenissen waarover Hendrik niet hoorde, nooit gelezen heeft. Contacten, aangeboden met steeds grotere bandbreedte (naakter, ook) maar via steeds minder kanalen. Aan het vervoeren van fysieke zaken is nauwelijks meer iets te verdienen (Hendrik leest dit nieuws op zijn iPad).
De tijd eist nu dat hij vraagt wie dat zegt. Waarheid, verzadigd van duiding & oordeel met gekleurde waarschuwingslabels. Waarheid waarvan Hendrik zich afvraagt, steeds maar weer afvraagt. De tijd is gevallen maar omhult Hendrik. Eindigt niet.